mineur
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord miˈnørBetekenis
- persoon die mijnen legt of ingraaft
- een toonsoort met een ingetogen karakter
- “klein” in de benaming van bepaalde intervallen, akkoorden en toonladders; vaak genoemd in combinatie met het terts-interval
- minderjarige
- mijnwerker
- mijnenlegger
- mineurtoonaard, mineurakkoord
- kleiner, minderjarig, onbeduidend
Hoe spreek je mineur uit?
/miˈnør/
Mineur bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| i | riet |
| n | nek |
| ø | deur |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een toonsoort met een ingetogen karakter, met soms een "droevige" associatie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mineurs | meervoud |
| mineurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mineurtjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- in een toonsoort met een ingetogen karakter
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mijnenlegger’ voor het eerst aangetroffen in 1578
Woordfamilie van mineur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mineurs | meervoud | mineur |
| mineurtje | verkleinwoord | mineur |
| mineurtjes | verkleinwoord meervoud | mineur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mineur zijn vastgelegd.