muziek
zelfstandig naamwoord /my'zik/Betekenis
- door mensen geordend akoestisch fenomeen binnen een afgebakend tijdsinterval
- toonkunst
- voor reproductie van compositie vastgelegde muziek
- voor reproductie van klank vastgelegde muziek
- een verschijningsvorm van de onder 1) genoemde definitie
- geluid dat om gevoelsmatige of esthetica|esthetische waarde gemaakt of gehoord wordt
- positieve waardering
Hoe spreek je muziek uit?
/myˈzik/
Muziek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| y | fuut |
| z | zon |
| i | riet |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- geluid dat om gevoelsmatige of esthetische waarde gemaakt of gehoord wordt figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| muziekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| muziekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘toonkunst’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van muziek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| muziekje | verkleinwoord | muziek |
| muziekjes | verkleinwoord meervoud | muziek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van muziek zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- musicus
- muziekboek
- muziekbusiness
- muziekdienst
- muziekdoos
- muziekdrama
- muziekensemble
- muziekevenement
- muziekfestijn
- muziekfestival
- muziekgroep
- muziekinstallatie
- muziekinstrument
- muziekkamer
- muziekkapel
- muziekkorps
- muziekleraar
- muzieklerares
- muziekles
- muzieklokaal
- muzieknoot
- muzieknotatie
- muziekonderwijs
- muziekoptreden