fleur
zelfstandig naamwoord, werkwoord flørBetekenis
- florerende toestand
- opgewekte, positieve stemming of uitstraling
- (hengelsport) lijn met aan de ene kant dobber, haakje en aas die aan de andere kant opgerold om een klosje aan het topje van de hengel is vastgemaakt, zodat de lijn eerst afrolt en dus wat meegeeft als een snoek in het aas bijt
- bloem
Hoe spreek je fleur uit?
/flør/
Fleur bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| l | land |
| ø | deur |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- lijn met aan de ene kant dobber, haakje en aas die aan de andere kant opgerold om een klosje aan het topje van de hengel is vastgemaakt, zodat de lijn eerst afrolt en dus wat meegeeft als een snoek in het aas bijt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fleuren | meervoud |
| fleurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fleurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fleuren
- gebiedende wijs van fleuren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fleuren
Vervoeging van fleur
fleurhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bloeiende toestand’ voor het eerst aangetroffen in 1521
Woordfamilie van fleur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fleurtje | verkleinwoord | fleur |
| fleurtjes | verkleinwoord meervoud | fleur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fleur zijn vastgelegd.