geur
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣørBetekenis
- gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
Hoe spreek je geur uit?
/xør/
Geur bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ø | deur |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geuren | meervoud |
| geurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| geurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geuren
- gebiedende wijs van geuren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geuren
Vervoeging van geur
geurhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘wat men ruikt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van geur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geurtje | verkleinwoord | geur |
| geurtjes | verkleinwoord meervoud | geur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geur zijn vastgelegd.