kleur
zelfstandig naamwoord, werkwoord /kløːr/Betekenis
- het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
- één van de vier figuren (harten, schoppen, ruiten en klaveren) van een kaartspel
- gelaatskleur, huidskleur
- in de uitdrukking persoon, man, vrouw van ~: met een niet-blanke huidskleur (opgevat als etnisch of raciaal kenmerk)
- verf; de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen tegen de weersomstandigheden of te kleuren door ze van een pigmenthoudende laag te voorzien
Hoe spreek je kleur uit?
/klør/
Kleur bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ø | deur |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- elk van de vier figuren (harten, schoppen, ruiten en klaveren) van een kaartspel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kleuren | meervoud |
| kleurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kleurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleuren
- gebiedende wijs van kleuren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleuren
Vervoeging van kleur
kleurhele werkwoord
Herkomst
Ontwikkeld uit ouder coleur (met de klemtoon op de laatste lettergreep), leenwoord uit Frans couleur (uit Latijn color) , in de betekenis van ‘lichtnuance’ voor het eerst aangetroffen in 1567.
Woordfamilie van kleur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kleurtje | verkleinwoord | kleur |
| kleurtjes | verkleinwoord meervoud | kleur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kleur zijn vastgelegd.