geit
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣɛitBetekenis
- evenhoevig zoogdier
- scheldwoord voor een vrouw
- benaming voor een grappig, eigenaardig persoon
- derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd van gaon.
- (vrouwelijke geit).
- bok.
- (ras).
Hoe spreek je geit uit?
/xɛit/
Geit bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɛi | trein |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geiten | meervoud |
| geitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| geitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geien
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geien
- gebiedende wijs meervoud van geien
- enkelvoud tegenwoordige tijd van geiten
- gebiedende wijs van geiten
Vervoeging van geit
geithele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands: geit / gheet van Oudnederlands: get, in de betekenis van ‘herkauwer’ aangetroffen vanaf 701; gaat via Germaans: *gaitaz terug op de Proto-Indo-Europeese wortel *gʰaido-, cognaat met Gotisch: 𐌲𐌰𐌹𐍄𐍃 (gaits), Duits: Geiß, Oudnoords: geit, Angelsaksisch: gāt → Engels: goat; vergelijk ook Latijn: haedus zn "geitenlam", Armeens: ձի (ji) "paard", Sanskriet हय zn (haya) "paard", Litouws: žaĩsti ww "spelen" en Russisch: заяц zn (zájats) "haas"
Woordfamilie van geit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geitje | verkleinwoord | geit |
| geitjes | verkleinwoord meervoud | geit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geit zijn vastgelegd.