bijt
zelfstandig naamwoord, werkwoord /bɛi̯t/Betekenis
- gat dat geslagen werd door een mens in het ijs van een bevroren wateroppervlak
Hoe spreek je bijt uit?
/bɛit/
Bijt bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛi | trein |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bijten | meervoud |
| bijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van bijten
- gebiedende wijs van bijten
Vervoeging van bijt
bijthele werkwoord
Herkomst
zn: van Middelnederlands bijt, in de betekenis van ‘gat in het ijs’ voor het eerst aangetroffen in 1301