tapijt
zelfstandig naamwoord taˈpɛitBetekenis
- vloerbedekking van textiel die bestaat uit een drager van jute of kunststof waarop een bovenkant, de pool, is aangebracht van losse draadeinden of lussen van materialen zoals wol, kunstgaren, katoen of sisal.
Hoe spreek je tapijt uit?
/taˈpɛit/
Tapijt bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| a | maan |
| p | pak |
| ɛi | trein |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- vloerbedekking van textiel die bestaat uit een drager van jute of kunststof waarop een bovenkant, de pool, is aangebracht van losse draadeinden of lussen van materialen zoals wol, kunstgaren, katoen of sisal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tapijten | meervoud |
| tapijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tapijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kleed’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van tapijt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tapijten | meervoud | tapijt |
| tapijtje | verkleinwoord | tapijt |
| tapijtjes | verkleinwoord meervoud | tapijt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tapijt zijn vastgelegd.