capaciteit
zelfstandig naamwoord ˌkapasiˈtɛitBetekenis
- vermogen, kracht om een bepaalde prestatie te leveren
- bekwaamheid, geschiktheid, bevattingsvermogen
Hoe spreek je capaciteit uit?
/ˌkapasiˈtɛit/
Capaciteit bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| p | pak |
| s | sok |
| i | riet |
| t | tak |
| ɛi | trein |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- mogelijkheid om iets te bevatten, hoeveelheid ruimte die voor een bepaald doel gevuld kan worden
- aanwezigheid van persoonlijke eigenschappen die vereist zijn voor bepaalde activiteiten
- opslagvermogen voor bepaalde vormen van energie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| capaciteiten | meervoud |
| capaciteitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| capaciteitjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Frans capacité (met het achtervoegsel -iteit), in de betekenis van ‘bekwaamheid’ aangetroffen vanaf 1728
Woordfamilie van capaciteit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| capaciteiten | meervoud | capaciteit |
| capaciteitje | verkleinwoord | capaciteit |
| capaciteitjes | verkleinwoord meervoud | capaciteit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van capaciteit zijn vastgelegd.