identiteit
zelfstandig naamwoord ˌidɛntiˈtɛitBetekenis
- (van persoonheid) een kenmerk dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
- gelijkheid
Hoe spreek je identiteit uit?
/ˌidɛntiˈtɛit/
Identiteit bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| i | riet |
| d | dak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| t | tak |
| ɛi | trein |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
- ondubbelzinnige aanduiding van iemand als uniek persoon door een autoriteit
- iets wat precies dezelfde betekenis oplevert
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| identiteiten | meervoud |
| identiteitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| identiteitjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
met het achtervoegsel -iteit gevormd uit Frans identité, in de betekenis van ‘(persoons)gelijkheid’ aangetroffen vanaf 1824
Woordfamilie van identiteit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| identiteiten | meervoud | identiteit |
| identiteitje | verkleinwoord | identiteit |
| identiteitjes | verkleinwoord meervoud | identiteit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van identiteit zijn vastgelegd.