kleinschaligheid
zelfstandig naamwoord klɛinˈsxaləxˌhɛitBetekenis
- werkwijze of structuur waarin hoeveelheden of aantallen beperkt zijn, zodat mensen die nog eenvoudig kunnen overzien
- (van plattegronden en kaarten) met een sterk verkleinde weergave
Hoe spreek je kleinschaligheid uit?
/klɛinˈsxaləxˌhɛit/
Kleinschaligheid bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| ə | de |
| h | hoed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord
- met een sterk verkleinde weergave
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kleinschaligheden | meervoud |
Herkomst
afgeleid van kleinschalig met het achtervoegsel -heid
Woordfamilie van kleinschaligheid
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kleinschaligheden | meervoud | kleinschaligheid |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kleinschaligheid zijn vastgelegd.