lam
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord lɑmBetekenis
- jong van het schaap
- jong van een geit
- niet in staat om te bewegen, verlamd
- lui, futloos
- versleten door te ver doordraaien (bijvoorbeeld van schroeven)
- heel erg dronken
- verlamd, grondig verstoord
- zwak, krachteloos
- verlamd; zie ook vanfør.
- onschuldig slachtoffer
Hoe spreek je lam uit?
/lɑm/
Lam bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| m | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lammeren | meervoud |
| lammetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lammetjes | verkleinwoord, meervoud |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord verlamd, grondig verstoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands lam / lamb van Oudnederlands lamp, in de betekenis van ‘jong van een schaap’ voor het eerst aangetroffen in 701
Woordfamilie van lam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lammers | woordvorm | lam |
| lams | woordvorm | lam |
| lamst | woordvorm | lam |
| lamste | woordvorm | lam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lam zijn vastgelegd.