krijt
zelfstandig naamwoord, werkwoord krɛitBetekenis
- wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
- schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
- geologisch tijdperk, derde en laatste periode van het era mesozoïcum, van 145 tot 66 miljoen jaar geleden
- voorwerp dat wordt gebruikt in de biljartsport om de top van de keu minder glad te maken
- strijdperk
Hoe spreek je krijt uit?
/krɛit/
Krijt bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| 3. Vóór 2006 was de spelling voor het geologisch tijdperk Krijt. | |
| krijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| krijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van krijten
- gebiedende wijs van krijten
Vervoeging van krijt
krijthele werkwoord
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| krijten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘strijdperk’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van krijt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| krijtje | verkleinwoord | krijt |
| krijtjes | verkleinwoord meervoud | krijt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krijt zijn vastgelegd.