mekkeren
werkwoord /ˈmɛ.kə.rə(n)/Betekenis
- het geluid van een geit maken
- iemand zingend in slaap wiegen
- zeuren
Hoe spreek je mekkeren uit?
/ˈmɛkərən/
Mekkeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- op een irritante manier klagen; zaniken, zeiken [1], zeuren ironic, unergative
Vervoeging van mekkeren
mekkerenhele werkwoord — mekkerdeverleden tijd enkelvoud — mekkerdenverleden tijd meervoud — gemekkerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mekker | mekkerde |
| jij | mekkert | mekkerde |
| hij, zij, het | mekkert | mekkerde |
| wij | mekkeren | mekkerden |
| jullie | mekkeren | mekkerden |
| zij | mekkeren | mekkerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemekkerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemekkerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemekkerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemekkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemekkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemekkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemekkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemekkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemekkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemekkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemekkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemekkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemekkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemekkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemekkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemekkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemekkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemekkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mekker | gebiedende wijs |
| mekkerde | verleden tijd |
| mekkere | aanvoegende wijs |
| mekkerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemekkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mekkeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mekkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemekkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemekkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemekkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemekkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemekkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemekkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemekkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemekkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemekkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemekkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemekkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemekkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemekkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mekkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemekkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mekkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit van mekken ww met het achtervoegsel -er, klanknabootsing van het geluid dat een geit maakt, in de betekenis van ‘het natuurlijke geluid van geiten maken’ voor het eerst aangetroffen in 1783
Woordfamilie van mekkeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemekkerd | voltooid deelwoord | mekkeren |
| mekker | gebiedende wijs | mekkeren |
| mekkerde | verleden tijd | mekkeren |
| mekkerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mekkeren |
| mekkere | aanvoegende wijs | mekkeren |
| mekkerend | onvoltooid deelwoord | mekkeren |
| mekkerende | woordvorm | mekkeren |
| mekkert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mekkeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mekkeren zijn vastgelegd.