spijt
zelfstandig naamwoord, voorzetsel, werkwoord /spɛi̯t/Betekenis
- besef dat je ten onrechte iets wel of juist niet hebt gedaan
- ondanks
Hoe spreek je spijt uit?
/spɛit/
Spijt bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɛi | trein |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- besef dat men ten onrechte iets wel of juist niet heeft gedaan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onpersoonlijke tegenwoordige tijd van spijten
Vervoeging van spijt
spijthele werkwoord
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spijen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spijen
- gebiedende wijs meervoud van spijen
Vervoeging van spijt
spijthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘berouw’ voor het eerst aangetroffen in 1436
Woordfamilie van spijt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spijtje | verkleinwoord | spijt |
| spijtjes | verkleinwoord meervoud | spijt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spijt zijn vastgelegd.