weer
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijwoord werBetekenis
- de gevolgen van 1
- het afweren, tegendstand, verwering, weerstand
- werkzame beweging, kracht, macht
- verschansing, verdedigingswerk (wal, muur, dijk)
- eelt
- aantasting, mede door invloed van licht en vochtigheid, vochtstip
- (België, Zeeuws, Noord-Brabants) knoest, kwast, knobbel
- afgesloten plaats aan zee voor visvangst, gevlochten visnetten ter afsluiting van water om vis te bewaren; visweer
- (gewestelijk) kleischoor, d.i. al dan niet met riet begroeide krib van klei
- recht op de heerschappij (beheer, genot of bewoning) over goed|goederen, ambt|ambten en mensen (onvrije dienaren) die wel of niet aan een ander toebehoren
- (Noord-Hollands) landerijen tussen twee afwateringssloten (de zogenaamde weersloten)
- nog een keer, weder, opnieuw
- van de andere kant
- tegen (in samenstellingen: - weerspraak, weerstrijd)
- wij
- men
- de atmosferische omstandigheden
Hoe spreek je weer uit?
/wer/
Weer bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weertje | verkleinwoord, eerste persoon |
| weertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- gesneden ram of geitenbok
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weertje | verkleinwoord, tweede persoon |
| weertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| weren | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord
- het afweren, tegenstand, verwering, weerstand
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weertje | verkleinwoord, derde persoon |
| weertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| weren | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weren
- gebiedende wijs van weren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weren
Vervoeging van weer
weerhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [C] weer | canonical |
zelfstandig naamwoord — neuter
- knoest, kwast, knobbel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weertje | verkleinwoord |
| weertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| weren | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord
- kleischoor, d.i. al dan niet met riet begroeide krib van klei
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weertje | verkleinwoord |
| weertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| weren | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord
- recht op de heerschappij (beheer, genot of bewoning) over goederen, ambten en mensen (onvrije dienaren) die wel of niet aan een ander toebehoren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weren | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- landerijen tussen twee afwateringssloten (de zogenaamde weersloten)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weertje | verkleinwoord |
| weertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| weren | enkelvoud |
bijwoord
- nog een keer
- van de andere kant (vaak als eerste deel van samenstellingen als weerspraak en weerstrijd)
Verbuiging en vervoeging (bijwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [H] weer | canonical |
Woordfamilie van weer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weertje | verkleinwoord, 1e persoon | weer |
| weertjes | verkleinwoord | weer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weer zijn vastgelegd.