facet
zelfstandig naamwoord fa'sɛtBetekenis
- platgeslepen oppervak van een metaal, glas of gesteente
- (in beeldspraak) de verschillende kanten van een zaak
Hoe spreek je facet uit?
/faˈsɛt/
Facet bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| a | maan |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- de verschillende kanten van een zaak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| facetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| facetjes | verkleinwoord, meervoud |
| facetten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aspect, kant’ voor het eerst aangetroffen in 1901
Woordfamilie van facet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| facetje | verkleinwoord | facet |
| facetjes | verkleinwoord meervoud | facet |
| facetten | meervoud | facet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van facet zijn vastgelegd.