bidet
zelfstandig naamwoordBetekenis
- zitwasbak voor het wassen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet
- pony
zelfstandig naamwoord
- soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bidetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bidetjes | verkleinwoord, meervoud |
| bidets | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zitbad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
Woordfamilie van bidet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bidetje | verkleinwoord | bidet |
| bidetjes | verkleinwoord meervoud | bidet |
| bidets | meervoud | bidet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bidet zijn vastgelegd.