vrij
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord vrɛiBetekenis
- niet de genoemde tekortkoming hebbend, niet onderhevig aan, ongevoelig voor, zonder b.v. accijnsvrij, loodvrij etc.
- ongebonden, niet in beweging beperkt
- beschikbaar
- gratis
- niet vallend onder of beperkt door een bepaald gezag, jurisdictie
- vrijmoedig
- (van onderwijs) niet van de overheid uitgaand, niet openbaar
- tamelijk
- vrijloop
- vrijdag, de vijfde dag van de werkweek
Hoe spreek je vrij uit?
/vrɛi/
Vrij bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| r | rood |
| ɛi | trein |
bijvoeglijk naamwoord
- niet van de overheid uitgaand, niet openbaar
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vrije | verbogen, stellende trap |
| vrijer | onverbogen, vergrotende trap |
| vrijere | verbogen, vergrotende trap |
| vrijers | partitief, vergrotende trap |
| vrijs | partitief, stellende trap |
| vrijst | onverbogen, overtreffende trap |
| vrijste | verbogen, overtreffende trap |
bijwoord
- zonder belemmering
- ongebonden, niet in beweging beperkt; zonder te moeten werken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [2] vr |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrijen
- gebiedende wijs van vrijen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrijen
Vervoeging van vrij
vrijhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘niet belemmerd, niet onderworpen of bezet’ voor het eerst aangetroffen in 701.
Woordfamilie van vrij
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vrijere | verbogen vergrotende trap | vrij |
| vrijs | partitive, positive | vrij |
| vrijst | uninflected, superlative | vrij |
| vrijste | inflected, superlative | vrij |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrij zijn vastgelegd.