Naar de inhoud

vrijbuiten

als kaper varen, op roof uitgaan

vrijbuiten

werkwoord

Betekenis

  1. als kaper varen, op roof uitgaan
  2. avonturieren

Vervoeging van vrijbuiten

vrijbuitenhele werkwoord — vrijbuitteverleden tijd enkelvoud — vrijbuittenverleden tijd meervoud — gevrijbuitvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vrijbuit vrijbuitte
jij vrijbuit vrijbuitte
hij, zij, het vrijbuit vrijbuitte
wij vrijbuiten vrijbuitten
jullie vrijbuiten vrijbuitten
zij vrijbuiten vrijbuitten
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gevrijbuit verleden tijd, deelwoord
gevrijbuit te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevrijbuit zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gevrijbuit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gevrijbuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gevrijbuit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gevrijbuit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gevrijbuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gevrijbuit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gevrijbuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gevrijbuit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevrijbuit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gevrijbuit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevrijbuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gevrijbuit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gevrijbuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevrijbuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevrijbuit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gevrijbuit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vrijbuiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vrijbuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrijbuit gebiedende wijs
vrijbuite aanvoegende wijs
vrijbuitend onvoltooid, deelwoord
vrijbuitte verleden tijd
zal gevrijbuit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevrijbuit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gevrijbuit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gevrijbuit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevrijbuit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevrijbuit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gevrijbuit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevrijbuit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevrijbuit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gevrijbuit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gevrijbuit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevrijbuit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevrijbuit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vrijbuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gevrijbuit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vrijbuiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van vrijbuiten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gevrijbuit voltooid deelwoord vrijbuiten
vrijbuit gebiedende wijs vrijbuiten
vrijbuite aanvoegende wijs vrijbuiten
vrijbuitend onvoltooid deelwoord vrijbuiten
vrijbuitende woordvorm vrijbuiten
vrijbuitte verleden tijd vrijbuiten
vrijbuitten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vrijbuiten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijbuiten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over vrijbuiten

Wat is de betekenis van vrijbuiten?
Vrijbuiten is een werkwoord. De betekenis is: als kaper varen, op roof uitgaan. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik vrijbuiten?
Zo vervoeg je vrijbuiten zo: de tegenwoordige tijd is vrijbuit, de verleden tijd is vrijbuitte en het voltooid deelwoord is gevrijbuit. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vrijbuiten is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. R 2
  3. I 1
  4. J 4
  5. B 3
  6. U 4
  7. I 1
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vrijbuiten levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. R 2
  3. I 2
  4. J 4
  5. B 4
  6. U 2
  7. I 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vrijbuiten in het kort

vrijbuiten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van vrijbuiten staan er 31 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vrijbuiten bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vrijbuiten: als kaper varen, op roof uitgaan
Deel vrijbuiten — standaardnederlands.nl