rij
zelfstandig naamwoord, werkwoord rɛiBetekenis
- geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
- een opeenvolging van elementen
- metalen liniaal (al dan niet met schaalverdeling)
- rug
- bast, schil
Hoe spreek je rij uit?
/rɛi/
Rij bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
Klinkt hetzelfde als rei.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rijen | meervoud |
| rijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijden
- gebiedende wijs van rijden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijden
Vervoeging van rij
rijhele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijen
- gebiedende wijs van rijen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijen
Vervoeging van rij
rijhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘reeks’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1343
Woordfamilie van rij
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rijtje | verkleinwoord | rij |
| rijtjes | verkleinwoord meervoud | rij |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rij zijn vastgelegd.