vrijgeven
werkwoordBetekenis
- zonder voorbehoud beschikbaar stellen, toegankelijk maken
Vervoeging van vrijgeven
vrijgevenhele werkwoord — gaf vrijverleden tijd enkelvoud — gaven vrijverleden tijd meervoud — vrijgegevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geef vrij | gaf vrij |
| jij | geeft vrij | gaaft vrij |
| hij, zij, het | geeft vrij | gaf vrij |
| wij | geven vrij | gaven vrij |
| jullie | geven vrij | gaven vrij |
| zij | geven vrij | gaven vrij |
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is vrijgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vrijgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vrijgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vrijgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgegeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgegeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vrijgegeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vrijgegeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gaf vrij | verleden tijd |
| geef vrij | gebiedende wijs |
| had vrijgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vrijgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vrijgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vrijgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vrijgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vrijgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vrijgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vrijgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vrijgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vrijgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vrijgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vrijgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vrijgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vrijgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij te geven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrij te zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij zal geven | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zou geven | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zouden geven | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zoudt geven | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrij zullen geven | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zult geven | bijzin, toekomende tijd |
| vrijgaaft | bijzin, verleden tijd |
| vrijgaf | bijzin, verleden tijd |
| vrijgaven | bijzin, verleden tijd |
| vrijgeef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vrijgeeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vrijgegeven | verleden tijd, deelwoord |
| vrijgegeven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgegeven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgegeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgegeven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgegeven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgegeven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgegeven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgegeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgegeven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgegeven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgevend | onvoltooid, deelwoord |
| waren vrijgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vrijgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vrijgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden vrijgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden vrijgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vrijgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vrijgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vrijgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vrijgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vrijgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vrijgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou vrijgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vrijgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vrijgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vrijgeven vrij zou(dt) geven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vrijgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vrijgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vrijgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vrijgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vrijgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vrijgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vrijgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult vrijgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vrijgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vrijgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vrijgeven vrij zult/zal geven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vrij en geven
Woordfamilie van vrijgeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaaft vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | vrijgeven |
| gaf vrij | verleden tijd | vrijgeven |
| gaven vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vrijgeven |
| geef vrij | gebiedende wijs | vrijgeven |
| geeft vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vrijgeven |
| geve vrij | woordvorm | vrijgeven |
| geven vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vrijgeven |
| vrijgaaft | subordinate-clause, verleden tijd | vrijgeven |
| vrijgaf | subordinate-clause, verleden tijd | vrijgeven |
| vrijgeef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vrijgeven |
| vrijgeeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vrijgeven |
| vrijgegeven | voltooid deelwoord | vrijgeven |
| vrijgeve | with-subordinate-clause | vrijgeven |
| vrijgevend | onvoltooid deelwoord | vrijgeven |
| vrijgevende | woordvorm | vrijgeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijgeven zijn vastgelegd.