los
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord lɔsBetekenis
- zonder vaste verbinding, niet bevestigd, ongebonden
- afzonderlijk, apart
- niet strak
- niet stijf, vlot, ongedwongen, ongegeneerd
- een kattensoort met een korte staart
- lossen, laten
- verlies
- verwoesting, vernieling
- gaande; aan de hand
- lynx; een kattensoort met een korte staart
- vrij
- open
- lot, noodlot
- lot; een biljet voor een loterij
- kupon
- eland; een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
- de
- lot, loting; toevalskans
- lot, noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
- tiket
- losování
- osud
Hoe spreek je los uit?
/lɔs/
Los bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɔ | bot |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort zoogdier, Lynx lynx, een katachtige met een korte staart
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lossen
- gebiedende wijs van lossen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lossen
Vervoeging van los
loshele werkwoord
Herkomst
bn: van Middelnederlands los bn , in de betekenis van ‘niet gebonden’ aangetroffen vanaf 1277
Woordfamilie van los
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| losje | woordvorm | los |
| lossere | verbogen vergrotende trap | los |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van los zijn vastgelegd.