rei
zelfstandig naamwoord, werkwoord rɛiBetekenis
- een groep of kring van personen of wezens
- een koor van zangers en dansers, dat vroeger met zang en dans een acte of bedrijf van een toneelstuk, afsloot
- de dans, en /of het lied, dat door zo'n koor werd gezongen, en/of gedanst
- een gracht, greppel of sloot voor de afwatering
- een rechte lijn
- een rechte lat van metaal of hout waarlangs men lijnen kan trekken, kan controleren of een werk vlak of waterpas is
- koning
Hoe spreek je rei uit?
/rɛi/
Rei bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
Klinkt hetzelfde als rij.
zelfstandig naamwoord — masculine
- groep of kring van personen of wezens obsolete
- een koor van zangers en dansers, dat vroeger met zang en dans een akte of bedrijf van een toneelstuk, afsloot obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| reien | meervoud |
| reitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| reitjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- gracht, greppel of sloot voor de afwatering
- rechte lijn obsolete
- rechte lat van metaal of hout waarlangs men lijnen kan trekken, kan controleren of een werk vlak of waterpas is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| reien | meervoud |
| reitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| reitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reien
- gebiedende wijs van reien
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reien
Vervoeging van rei
reihele werkwoord
Herkomst
m: via Middelnederlands rei en Picardisch rey van Oudfrans raie zn "streep, vore", in de betekenis van ‘reidans’ aangetroffen vanaf 1360
Woordfamilie van rei
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| reitje | verkleinwoord | rei |
| reitjes | verkleinwoord meervoud | rei |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rei zijn vastgelegd.