vrijen
werkwoordBetekenis
- relatie met iemand hebben
- liefde bedrijven
- knuffelen en kussen
werkwoord
- de liefde bedrijven unergative
Vervoeging van vrijen
vrijenhele werkwoord — vreeverleden tijd enkelvoud — vreeënverleden tijd meervoud — gevreeënvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vrij | vree |
| jij | vrijt | vree |
| hij, zij, het | vrijt | vree |
| wij | vrijen | vreeën |
| jullie | vrijen | vreeën |
| zij | vrijen | vreeën |
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevreeën | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevreeën | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevreeën | verleden tijd, deelwoord |
| gevreeën | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| gevreeën | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| gevreeën | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| gevreeën | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| gevreeën | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| gevreeën | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| gevreeën hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| gevreeën hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| gevreeën hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gevreeën hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| gevreeën hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| gevreeën hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gevreeën te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevreeën zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevrijd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevrijd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevrijd | verleden tijd, deelwoord |
| had gevrijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevrijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevrijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevrijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevrijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevrijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevrijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevrijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt gevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevrijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vrijen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vrijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vree | verleden tijd |
| vrij | gebiedende wijs |
| vrijde | verleden tijd |
| vrije | aanvoegende wijs |
| vrijend | onvoltooid, deelwoord |
| zal | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevrijd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevrijd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevrijd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevrijd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevrijd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevrijd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevrijd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevrijd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevrijd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevrijd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevrijd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevrijd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevrijd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevrijd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vrijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘minnekozen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van vrijen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevreeën | voltooid deelwoord | vrijen |
| gevrijd | voltooid deelwoord | vrijen |
| vreeën | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vrijen |
| vrijde | verleden tijd | vrijen |
| vrijden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vrijen |
| vrijend | onvoltooid deelwoord | vrijen |
| vrijende | woordvorm | vrijen |
| vrijt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vrijen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijen zijn vastgelegd.