vrijdag
zelfstandig naamwoord ˈvrɛidɑxBetekenis
- dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
Hoe spreek je vrijdag uit?
/ˈvrɛidɑx/
Vrijdag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vr. | |
| vrij. | |
| vrijdagen | meervoud |
| vrijdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vrijdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands vridach, in de betekenis van ‘zesde dag van de week’ voor het eerst aangetroffen in 1263 eponiem, op te vatten als samenstelling van Freya en "naam van de Germaanse godin van onder andere de liefde Frîia " en dag zn , een leenvertaling van Latijn dies Veneris "dag van Venus (de Romeinse godin van de liefde)"
Woordfamilie van vrijdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vrijdagen | meervoud | vrijdag |
| vrijdagje | verkleinwoord | vrijdag |
| vrijdagjes | verkleinwoord meervoud | vrijdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijdag zijn vastgelegd.