loterij
zelfstandig naamwoord ˌlotəˈrɛiBetekenis
- een schema waarbij door velen een kleine financiële inzet gedaan wordt, waaruit aan weinigen, door het lot bepaald, een grote som uitgekeerd wordt
Hoe spreek je loterij uit?
/ˌlotəˈrɛi/
Loterij bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| o | boot |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| loterijen | meervoud |
| loterijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| loterijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘kansspel met lootjes’ voor het eerst aangetroffen in 1518
Woordfamilie van loterij
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| loterijen | meervoud | loterij |
| loterijtje | verkleinwoord | loterij |
| loterijtjes | verkleinwoord meervoud | loterij |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van loterij zijn vastgelegd.