partij
zelfstandig naamwoord, bijwoord pɑrˈtɛiBetekenis
- persoon of groep die een overeenkomst of strijd aangaat met een andere persoon of groep
- vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen proberen te verwezenlijken
- hoeveelheid koopwaar
- een deel in een muziekstuk dat betrekking heeft op één instrument of zangstem
- een spel dat wordt gespeeld, potje, wedstrijd
- een feestje, party
Hoe spreek je partij uit?
/pɑrˈtɛi/
Partij bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| t | tak |
| ɛi | trein |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- een bep. hoeveelheid koopwaar
- spelronde die wordt gespeeld; potje, wedstrijd
- een feest, meestal in informele sfeer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| partijen | meervoud |
| partijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| partijtjes | verkleinwoord, meervoud |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands partie van Frans parti zn , in de betekenis van ‘groep’ aangetroffen vanaf 1266
Woordfamilie van partij
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| partijen | meervoud | partij |
| partijtje | verkleinwoord | partij |
| partijtjes | verkleinwoord meervoud | partij |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van partij zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- eenpartijstaat
- eenpartijstelsel
- particratie
- partijbestuur
- partijcongres
- partijdag
- partijdig
- partijenstelsel
- partijfunctionaris
- partijgenoot
- partijkeuze
- partijleider
- partijleiderschap
- partijleiding
- partijlid
- partijloos
- partijman
- partijpolitiek
- partijraad
- partijsecretaris
- partijstrijd
- partijtop
- partijtrekken
- partijvoorzitter