voorbij
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voorzetsel, achterzetsel vorˈbɛiBetekenis
- wat al in het verleden ligt
- een bepaald punt passeren
Hoe spreek je voorbij uit?
/vorˈbɛi/
Voorbij bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| b | bak |
| ɛi | trein |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voorbije | verbogen, stellende trap |
| voorbijs | partitief, stellende trap |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord met een passerende beweɡinɡ
voorzetsel
- met een waarneming of verplaatsing langs
achterzetsel
- na het passeren achter zich latend
Herkomst
samenstelling van voor en bij , in de betekenis van ‘bijwoord van richting’ aangetroffen vanaf 1267
Woordfamilie van voorbij
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voorbije | verbogen vorm | voorbij |
| voorbijs | partitive, positive | voorbij |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbij zijn vastgelegd.