gelijktijdig
bijvoeglijk naamwoord ɣəˈlɛiktɛidəxBetekenis
- het op het zelfde moment plaats hebbende
Hoe spreek je gelijktijdig uit?
/xəˈlɛiktɛidəx/
Gelijktijdig bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| t | tak |
| d | dak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijvoeglijk naamwoord
- op het zelfde moment plaats hebbende
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gelijktijdige | verbogen, stellende trap |
| gelijktijdiger | onverbogen, vergrotende trap |
| gelijktijdigere | verbogen, vergrotende trap |
| gelijktijdigers | partitief, vergrotende trap |
| gelijktijdigs | partitief, stellende trap |
| gelijktijdigst | onverbogen, overtreffende trap |
| gelijktijdigste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Samenstellende afleiding van gelijk en tijd met het achtervoegsel -ig
Woordfamilie van gelijktijdig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelijktijdige | verbogen vorm | gelijktijdig |
| gelijktijdiger | vergrotende trap | gelijktijdig |
| gelijktijdigere | verbogen vergrotende trap | gelijktijdig |
| gelijktijdigers | partitieve vergrotende trap | gelijktijdig |
| gelijktijdigs | partitive, positive | gelijktijdig |
| gelijktijdigst | uninflected, superlative | gelijktijdig |
| gelijktijdigste | inflected, superlative | gelijktijdig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijktijdig zijn vastgelegd.