één
hoofdtelwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /eːn/Betekenis
- de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling, het kleinste getal van de verzameling \mathbb_0; komt na nul en vóór twee, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
- het getal 1
- in vergelijking tussen twee zaken
Hoe spreek je één uit?
/en/
Één bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| n | nek |
hoofdtelwoord
- de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling, het kleinste getal van de verzameling ℕ₀; komt na nul en vóór twee, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
Verbuiging en vervoeging (hoofdtelwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Arabisch cijfer: 1 | |
| Chinees cijferteken: 壹, 一 | |
| Grieks cijferteken: A' | |
| Volgens de spellingsregels betreffende het gebruik van klemtoontekens wordt het telwoord als een geschreven, en niet als... | |
| Wordt als Eén geschreven aan het begin van een zin. |
Afleidingen en samenstellingen
- aaneenschakeling
- aaneensluiten
- achtereenvolgend
- achtereenvolgens
- bijeenbrengen
- bijeenkomst
- eendekker
- eendracht
- eenendertigste
- eenentachtigste
- eenentwintigste
- eenenveertigste
- eenhoorn
- eenling
- eenmaal
- eenpartijstelsel
- eens
- eenterm
- eenwording
- ineenkrimpen
- ineenzetten
- opeenhopen
- opeenhoping
- opeenstapelen