Naar de inhoud

ineenzetten

in elkaar zetten

ineenzetten

werkwoord

Betekenis

  1. in elkaar zetten

Vervoeging van ineenzetten

ineenzettenhele werkwoord — zette ineenverleden tijd enkelvoud — zetten ineenverleden tijd meervoud — ineengezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet ineen zette ineen
jij zet ineen zette ineen
hij, zij, het zet ineen zette ineen
wij zetten ineen zetten ineen
jullie zetten ineen zetten ineen
zij zetten ineen zetten ineen
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ineengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ineengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ineengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ineengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ineengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ineengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ineengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ineengezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ineen te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ineen te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ineen zal zetten bijzin, toekomende tijd
ineen zou zetten bijzin, voorwaardelijk
ineen zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
ineen zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
ineen zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ineen zullen zetten bijzin, toekomende tijd
ineen zult zetten bijzin, toekomende tijd
ineengezet verleden tijd, deelwoord
ineengezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ineengezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ineenzet bijzin, tegenwoordige tijd
ineenzette bijzin, verleden tijd
ineenzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben ineengezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ineenzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ineenzetten bijzin, toekomende tijd
zet ineen gebiedende wijs
zette ineen verleden tijd
zou ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ineenzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) ineenzetten ineen zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ineenzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ineenzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ineenzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ineenzetten bijzin, toekomende tijd
zult ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult ineenzetten bijzin, toekomende tijd
zult/zal ineenzetten ineen zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van ineenzetten

Vervoeging van ineenzetten

ineenzettenhele werkwoord — zette ineenverleden tijd enkelvoud — zetten ineenverleden tijd meervoud — ineengezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet ineen zette ineen
jij zet ineen zette ineen
hij, zij, het zet ineen zette ineen
wij zetten ineen zetten ineen
jullie zetten ineen zetten ineen
zij zetten ineen zetten ineen
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ineengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ineengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ineengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ineengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ineengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ineengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ineengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ineengezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ineengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ineen te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ineen te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ineen zal zetten bijzin, toekomende tijd
ineen zou zetten bijzin, voorwaardelijk
ineen zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
ineen zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
ineen zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ineen zullen zetten bijzin, toekomende tijd
ineen zult zetten bijzin, toekomende tijd
ineengezet verleden tijd, deelwoord
ineengezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ineengezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ineenzet bijzin, tegenwoordige tijd
ineenzette bijzin, verleden tijd
ineenzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben ineengezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ineenzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ineenzetten bijzin, toekomende tijd
zet ineen gebiedende wijs
zette ineen verleden tijd
zou ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ineenzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) ineenzetten ineen zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ineenzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt ineengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ineenzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ineenzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ineenzetten bijzin, toekomende tijd
zult ineengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ineenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult ineenzetten bijzin, toekomende tijd
zult/zal ineenzetten ineen zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van ineen en zetten

Woordfamilie van ineenzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ineengezet voltooid deelwoord ineenzetten
ineenzet subordinate-clause, tegenwoordige tijd ineenzetten
ineenzette subordinate-clause, verleden tijd ineenzetten
ineenzettend onvoltooid deelwoord ineenzetten
ineenzettende woordvorm ineenzetten
zet ineen gebiedende wijs ineenzetten
zette ineen verleden tijd ineenzetten
zetten ineen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon ineenzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ineenzetten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over ineenzetten

Wat is de betekenis van ineenzetten?
Ineenzetten is een werkwoord. De betekenis is: in elkaar zetten.
Hoe vervoeg ik ineenzetten?
Zo vervoeg je ineenzetten zo: het voltooid deelwoord is ineengezet. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ineenzetten is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. E 1
  4. E 1
  5. N 1
  6. Z 4
  7. E 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ineenzetten levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. E 1
  4. E 1
  5. N 1
  6. Z 5
  7. E 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 18 zonder bonus
  13. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ineenzetten in het kort

ineenzetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van ineenzetten staan er 41 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ineenzetten bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ineenzetten: in elkaar zetten
Deel ineenzetten — standaardnederlands.nl