ineenzetten
werkwoordBetekenis
- in elkaar zetten
Vervoeging van ineenzetten
ineenzettenhele werkwoord — zette ineenverleden tijd enkelvoud — zetten ineenverleden tijd meervoud — ineengezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet ineen | zette ineen |
| jij | zet ineen | zette ineen |
| hij, zij, het | zet ineen | zette ineen |
| wij | zetten ineen | zetten ineen |
| jullie | zetten ineen | zetten ineen |
| zij | zetten ineen | zetten ineen |
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ineengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ineengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ineengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ineengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ineengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ineengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ineengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ineengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ineen te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ineen te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ineen zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| ineen zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ineen zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| ineen zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| ineengezet | verleden tijd, deelwoord |
| ineengezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ineengezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ineenzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ineenzette | bijzin, verleden tijd |
| ineenzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ineengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ineenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ineenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet ineen | gebiedende wijs |
| zette ineen | verleden tijd |
| zou ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ineenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ineenzetten ineen zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ineenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ineenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ineenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ineenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ineenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal ineenzetten ineen zult/zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van ineenzetten
Vervoeging van ineenzetten
ineenzettenhele werkwoord — zette ineenverleden tijd enkelvoud — zetten ineenverleden tijd meervoud — ineengezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet ineen | zette ineen |
| jij | zet ineen | zette ineen |
| hij, zij, het | zet ineen | zette ineen |
| wij | zetten ineen | zetten ineen |
| jullie | zetten ineen | zetten ineen |
| zij | zetten ineen | zetten ineen |
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ineengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ineengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ineengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ineengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ineengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ineengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ineengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ineengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ineengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ineen te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ineen te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ineen zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| ineen zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ineen zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| ineen zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| ineengezet | verleden tijd, deelwoord |
| ineengezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ineengezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ineenzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ineenzette | bijzin, verleden tijd |
| ineenzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ineengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ineenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ineenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet ineen | gebiedende wijs |
| zette ineen | verleden tijd |
| zou ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ineenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ineenzetten ineen zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ineenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ineengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ineenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ineenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ineenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult ineengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ineenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ineenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal ineenzetten ineen zult/zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van ineen en zetten
Woordfamilie van ineenzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ineengezet | voltooid deelwoord | ineenzetten |
| ineenzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ineenzetten |
| ineenzette | subordinate-clause, verleden tijd | ineenzetten |
| ineenzettend | onvoltooid deelwoord | ineenzetten |
| ineenzettende | woordvorm | ineenzetten |
| zet ineen | gebiedende wijs | ineenzetten |
| zette ineen | verleden tijd | ineenzetten |
| zetten ineen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ineenzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ineenzetten zijn vastgelegd.