eens
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lidwoord ensBetekenis
- alleen predicatief: het ~ zijn/worden over tot een vergelijk komen
- op enigerlei tijd in het verleden.
- op een bepaald tijdstip in de toekomst.
- als stopwoordje zonder echte betekenis
- modaal bijwoord dat een uitzondering of een voorstel uitdrukt.
- van het lidwoord een bij een mannelijk of onzijdig woord
- één
Hoe spreek je eens uit?
/ens/
Eens bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| n | nek |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
bijwoord
- eenmaal
- ooit; op enigerlei tijd (in het verleden of in de toekomst)
Verbuiging en vervoeging (bijwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ééns | canonical |
lidwoord
- van een genitief van het lidwoord een bij een mannelijk of onzijdig woord obsolete
Herkomst
In de betekenis van ‘bijwoord van tijd: eenmaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265