aaneensluiten
werkwoord anˈenslœytə(n)Betekenis
- dicht tegen elkaar aankomen
- dicht met elkaar verbinden
- zich ~: zich verenigen
Hoe spreek je aaneensluiten uit?
/anˈenslœytən/
Aaneensluiten bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| e | veel |
| s | sok |
| l | land |
| œy | huis |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aaneensluiten
aaneensluitenhele werkwoord — sloot aaneenverleden tijd enkelvoud — sloten aaneenverleden tijd meervoud — aaneengeslotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sluit aaneen | sloot aaneen |
| jij | sluit aaneen | sloot aaneen |
| hij, zij, het | sluit aaneen | sloot aaneen |
| wij | sluiten aaneen | sloten aaneen |
| jullie | sluiten aaneen | sloten aaneen |
| zij | sluiten aaneen | sloten aaneen |
Alle 157 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aaneen te sluiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneen te zullen sluiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneen zal sluiten | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zou sluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zouden sluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zoudt sluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zullen sluiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneen zullen sluiten | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zult sluiten | bijzin, toekomende tijd |
| aaneengesloten | verleden tijd, deelwoord |
| aaneengesloten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneengesloten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneengesloten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengesloten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengesloten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengesloten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aaneengesloten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aaneengesloten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneengesloten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneengesloten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneensloot | bijzin, verleden tijd |
| aaneensloten | bijzin, verleden tijd |
| aaneensluit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aaneensluitend | onvoltooid, deelwoord |
| ben aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aaneengesloten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aaneengesloten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aaneengesloten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aaneengesloten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aaneengesloten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aaneengesloten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aaneengesloten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aaneengesloten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aaneengesloten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sloot aaneen | verleden tijd |
| sluit aaneen | gebiedende wijs |
| sluit u/je aaneen, sluit je aaneen | gebiedende wijs |
| te hebben aaneengesloten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aaneensluiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aaneengesloten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aaneengesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aaneengesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aaneengesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aaneengesloten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengesloten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aaneensluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aaneensluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aaneensluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aaneensluiten | bijzin, toekomende tijd |
| zal me aaneensluiten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich aaneensluiten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je aaneensluiten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich aaneengesloten hebben | verleden tijd |
| zich aaneensluitend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aaneengesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aaneengesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aaneensluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aaneensluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aaneensluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aaneensluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aaneensluiten aaneen zou(dt) sluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aaneengesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aaneengesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aaneengesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneengesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aaneengesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aaneengesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneensluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aaneensluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aaneensluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aaneensluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aaneengesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneengesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneensluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aaneensluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aaneengesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aaneengesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aaneengesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aaneengesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aaneengesloten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aaneengesloten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aaneengesloten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aaneensluiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
Herkomst
samenstelling van aaneen bw en sluiten ww
Woordfamilie van aaneensluiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aaneensloot | subordinate-clause, verleden tijd | aaneensluiten |
| aaneensloten | subordinate-clause, verleden tijd | aaneensluiten |
| aaneensluit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneensluiten |
| aaneensluite | with-subordinate-clause | aaneensluiten |
| aaneensluitend | onvoltooid deelwoord | aaneensluiten |
| aaneensluitende | woordvorm | aaneensluiten |
| sloot aaneen | verleden tijd | aaneensluiten |
| sloten aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aaneensluiten |
| sluit aaneen | gebiedende wijs | aaneensluiten |
| sluite aaneen | woordvorm | aaneensluiten |
| sluiten aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aaneensluiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aaneensluiten zijn vastgelegd.