bak
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɑkBetekenis
- stevig voorwerp waarvan één zijde open is en waarin iets kan worden bewaard. Het grondvlak van dit object is meestal rechthoekig maar kan ook een cirkel zijn (een 'ronde bak', kom of kuip) of ellipsvormig - teil of tobbe. De ´bak´ kan eventueel afgesloten worden met een deksel. Indien het materiaal van deze ´bak´ bestaat uit karton spreekt men eerder van een doos, is het materiaal hout dan van een kist of krat Indien de doorsnede een cirkel is en de bak relatief hoog dan noemt men dit een koker. Is hij daarnaast ook stapelbaar doordat hij taps toeloopt dan spreekt men van een emmer, teil of tobbe behalve als hij van aardewerk, glas of keramiek is want dan spreekt men van een pot. Een ronde metalen 'bak' die gebruikt wordt om te koken noemt men een pan.
- een grap of mop
- gevangenis
- kopje
- slee, grote auto
- vaartuig dat moet worden gesleept (sleepbak) of geduwd (duwbak)
- krat
- achter, achterin
- daarachter, erachter
- achter (ruimtelijk)
- achter (tijdelijk)
- zitvlak, achterste, achterwerk, billen, aars.
- de achterkant van kleding die het zitvlak bedekt.
- rug, achterkant van de hand
- (zeldzaam) rug
- verwarming
- zitvlak, achterste, achterwerk, billen, aars
- de achterkant van kleding die de zitvlak bedekt.
- (zelden) rug
- een warm kompres
- een uitgekookt warm extract als reinigingsmiddel
- achterdeel, achtereind, achterwerk, stuss
- (het) bakken
Hoe spreek je bak uit?
/bɑk/
Bak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- stevig voorwerp waarvan één zijde open is en waarin iets kan worden bewaard. Het grondvlak van dit object is meestal rechthoekig maar kan ook een cirkel zijn (een 'ronde bak', kom of kuip) of ellipsvormig -> teil of tobbe. De ´bak´ kan eventueel afgesloten worden met een deksel. Indien het materiaal van deze ´bak´ bestaat uit karton spreekt men eerder van een doos, is het materiaal hout dan van een kist of krat Indien de doorsnede een cirkel is en de bak relatief hoog dan noemt men dit een koker. Is hij daarnaast ook stapelbaar doordat hij taps toeloopt dan spreekt men van een emmer, teil of tobbe behalve als hij van aardewerk, glas of keramiek is want dan spreekt men van een pot. Een ronde metalen 'bak' die gebruikt wordt om te koken noemt men een pan.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (bakkie) | verkleinwoord, enkelvoud |
| (bakkies) | verkleinwoord, meervoud |
| bakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bakjes | verkleinwoord, meervoud |
| bakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bakken
- gebiedende wijs van bakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bakken
Vervoeging van bak
bakhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Oudfrans bac, uit het Volkslatijn (ontleend aan Keltisch, waarschijnlijk Gallisch, *bacu 'vat') , in de betekenis van ‘kom, trog’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van bak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bakje | verkleinwoord | bak |
| bakjes | verkleinwoord meervoud | bak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bak zijn vastgelegd.