pak
zelfstandig naamwoord, werkwoord /pɑk/Betekenis
- hoeveelheid die een geheel vormt:
- verpakt voorwerp
- een grote hoeveelheid die iets helemaal bedekt
- een kledingcombinatie bestaande uit ten minste een jasje en een broek of rok, gewaad, kostuum
- een kledingstuk dat het hele lichaam omvat
- een groep wolven
- pakket
- mijnheer, de heer, aanspreektitel voor een oudere man
- pakje, pakket, doos
- pacht
- niet-officiële schrijfwijze voor pakta pact, verdrag
- pakket, pakje
- kudde, , schol, menigte; een groep mensen of dieren
- maar, echter
- pek
- pakijs
- dan
- dan, later
- dan, daarna
Hoe spreek je pak uit?
/pɑk/
Pak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord
- hoeveelheid die een geheel vormt
- een kledingcombinatie bestaande uit ten minste een jasje en een broek of rok; gewaad, kostuum
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pakjes | verkleinwoord, meervoud |
| pakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pakken
- gebiedende wijs van pakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pakken
Vervoeging van pak
pakhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘bundel’ voor het eerst aangetroffen in 1244
Woordfamilie van pak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pakjes | verkleinwoord meervoud | pak |
| paks | meervoud | pak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pak zijn vastgelegd.