trog
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een langgerekte voederbak
- een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaat
- een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebied
- broodtrog, deegtrog, kneedtrog, moel; houten bak om (brood)deeg in te kneden en te laten rijpen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| troggen | meervoud |
| trogje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trogjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘(voer)bak’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van trog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| troggen | meervoud | trog |
| trogje | verkleinwoord | trog |
| trogjes | verkleinwoord meervoud | trog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trog zijn vastgelegd.