gebak
zelfstandig naamwoord ɣəˈbɑkBetekenis
- meestal zoet, bakken|gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
Hoe spreek je gebak uit?
/xəˈbɑk/
Gebak bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| b | bak |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gebakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gebakjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘taart’ voor het eerst aangetroffen in 1778
Woordfamilie van gebak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gebakje | verkleinwoord | gebak |
| gebakjes | verkleinwoord meervoud | gebak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gebak zijn vastgelegd.