klak
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, werkwoord klɑkBetekenis
- klikkend geluid, lager klinkend en langer durend dan een tik
- -klak: het geluid van een mechanisch apparaat dat omgezet wordt
- klodder, vlek
- pet met klep
- p.612;; geraadpleegd 2017-08-05
- hoge hoed die kan worden ingeklapt
- groep mensen die is ingehuurd om iemand met applaus toe te juichen
- weergave van een klikkend geluid, lager klinkend en langer durend dan een tik
- klik, het geluid van een schakelaar die omgezet wordt
Hoe spreek je klak uit?
/klɑk/
Klak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɑ | bad |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klakjes | verkleinwoord, meervoud |
| klakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klakken
- gebiedende wijs van klakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klakken
Vervoeging van klak
klakhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘klodder, vlek’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van klak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klakje | verkleinwoord | klak |
| klakjes | verkleinwoord meervoud | klak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klak zijn vastgelegd.