vlak
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, bijwoord, werkwoord /vlɑk/Betekenis
- zonder bergen of dalen
- een verzameling punten die twee dimensies vult
- zonder hoogte- en dieptepunten
- op vlakke wijze
- versterkend: in de onmiddellijke omgeving
- helemaal
- trein
Hoe spreek je vlak uit?
/vlɑk/
Vlak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| ɑ | bad |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vlakke | verbogen, stellende trap |
| vlakker | onverbogen, vergrotende trap |
| vlakkere | verbogen, vergrotende trap |
| vlakkers | partitief, vergrotende trap |
| vlaks | partitief, stellende trap |
| vlakst | onverbogen, overtreffende trap |
| vlakste | verbogen, overtreffende trap |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een bepaald deel van werkelijkheid
bijwoord
- versterkend: korte tijd later
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlakken
- gebiedende wijs van vlakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlakken
Vervoeging van vlak
vlakhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘platte kant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1561
Woordfamilie van vlak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vlakje | woordvorm | vlak |
| vlakjes | meervoud | vlak |
| vlakkere | verbogen vergrotende trap | vlak |
| vlakkers | partitieve vergrotende trap | vlak |
| vlaks | partitive, positive | vlak |
| vlakst | uninflected, superlative | vlak |
| vlakste | inflected, superlative | vlak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlak zijn vastgelegd.