maniak
zelfstandig naamwoord maniˈjɑkBetekenis
- persoon die ergens (op ziekelijke wijze) helemaal gek van is, een fanaat
- (in mindere mate) krankzinnige met een pathologische obsessie b.v. een godsdienstmaniak
Hoe spreek je maniak uit?
/maniˈjɑk/
Maniak bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| n | nek |
| i | riet |
| j | ja |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- krankzinnige met een pathologische obsessie b.v. een godsdienstmaniak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| maniakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| maniakjes | verkleinwoord, meervoud |
| maniakken | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘iem. die een manie heeft’ voor het eerst aangetroffen in 1914
Woordfamilie van maniak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maniakje | verkleinwoord | maniak |
| maniakjes | verkleinwoord meervoud | maniak |
| maniakken | meervoud | maniak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van maniak zijn vastgelegd.