strak
bijvoeglijk naamwoord strɑkBetekenis
- nauwzittend, zonder plooien, glad
- streng, zonder uitzonderingen
- zonder franje, recht toe recht aan
- zonder onregelmatigheden
Hoe spreek je strak uit?
/strɑk/
Strak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| k | kat |
bijvoeglijk naamwoord
- onaangedaan, stoïcijns, zonder blijk te geven van emotie
- streng, strikt, zonder dat er veel vrijheid wordt geboden
- zonder franje, rechttoe rechtaan
- met weinig financiële ruimte, krap
- helemaal in orde informal
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| strakke | verbogen, stellende trap |
| strakker | onverbogen, vergrotende trap |
| strakkere | verbogen, vergrotende trap |
| strakkers | partitief, vergrotende trap |
| straks | partitief, stellende trap |
| strakst | onverbogen, overtreffende trap |
| strakste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘erg goed’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1987
Woordfamilie van strak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| strakke | verbogen vorm | strak |
| strakker | vergrotende trap | strak |
| strakkere | verbogen vergrotende trap | strak |
| strakkers | partitieve vergrotende trap | strak |
| strakst | uninflected, superlative | strak |
| strakste | inflected, superlative | strak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strak zijn vastgelegd.