koker
zelfstandig naamwoord ˈkokərBetekenis
- een smal cilindervormig hol voorwerp, bruikbaar als verpakking
- een keukenapparaat waarin iets kan gekookt worden
Hoe spreek je koker uit?
/ˈkokər/
Koker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kokers | meervoud |
| kokertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kokertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘etui, huls’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van koker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kokers | meervoud | koker |
| kokertje | verkleinwoord | koker |
| kokertjes | verkleinwoord meervoud | koker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koker zijn vastgelegd.