krib
zelfstandig naamwoord, werkwoord /krɪp/Betekenis
- een voor veevoer gebruikte bak die aan de bovenzijde veel ruimer is dan op de bodem
- een eenvoudig en gemakkelijk vervoerbaar soldatenbed
- kleine, vaak stenen golfbrekertjes die op regelmatige afstanden langs de oever in het water steken om het afkalven van de oever tegen te gaan en/of om de stroomsnelheid te beïnvloeden
- een enkele of dubbele rij houten paaltjes die op regelmatige afstanden langs de kust in zee steken, om het afkalven van het strand tegen te gaan
- een enkele of dubbele rij houten paaltjes die voor de landaanwinning langs een glooiende de kust zijn geplaatst
- kijfgrage vrouw
Hoe spreek je krib uit?
/krɪp/
Krib bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| p | pak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kribben | meervoud |
| kribbes (1) | meervoud |
| kribje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kribjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kribben | meervoud |
| kribbetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kribbetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kribben
- gebiedende wijs van kribben
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kribben
Vervoeging van krib
kribhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘voederbak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1120
Woordfamilie van krib
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kribbes | meervoud | krib |
| kribje | verkleinwoord | krib |
| kribjes | verkleinwoord meervoud | krib |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krib zijn vastgelegd.