kak
zelfstandig naamwoord, werkwoord, tussenwerpsel kɑkBetekenis
- ontlasting
- arrogantie
- uitdrukking die verachting of ergernis uitdrukt
- verkorte vorm van kakak (oudere broer/zus)
- martelpaal (een paal om een misdadiger voor een openbare geseling aan te bevestigen)
Hoe spreek je kak uit?
/kɑk/
Kak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
zelfstandig naamwoord — masculine
- ontlasting [2] informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kakjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kakken
- gebiedende wijs van kakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kakken
Vervoeging van kak
kakhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands cac, in de betekenis van ‘drek’ voor het eerst aangetroffen in 1376
Woordfamilie van kak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kakje | verkleinwoord | kak |
| kakjes | verkleinwoord meervoud | kak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kak zijn vastgelegd.