zak
zelfstandig naamwoord, werkwoord zɑkBetekenis
- slappe, vormeloze tas
- een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
- onaangename of onnozele vent (wellicht een verkorting van klootzak)
Hoe spreek je zak uit?
/zɑk/
Zak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɑ | bad |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- slap omhulsel dat aan een kant een (soms afsluitbare) opening heeft om er iets in te stoppen of uit te halen
- plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
- erg vervelende, onaangename of onnozele vent (wellicht een verkorting van klootzak) pejorative
- orgaan in de buik waar de vertering van het voedsel begint obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zakjes | verkleinwoord, meervoud |
| zakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zakken
- gebiedende wijs van zakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zakken
Vervoeging van zak
zakhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands sac, Oudnederlands sak, Latijn saccus van Oudgrieks σάκκος (sákkos) dat vermoedelijk teruggaat op een Semitische taal, in de betekenis van ‘verpakkingsmiddel’ aangetroffen vanaf 1100
Woordfamilie van zak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zakje | verkleinwoord | zak |
| zakjes | verkleinwoord meervoud | zak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zak zijn vastgelegd.