plak
zelfstandig naamwoord, werkwoord plɑkBetekenis
- spul waarmee men kan plakken bijv. behangplak, lijm
- medaille
Hoe spreek je plak uit?
/plɑk/
Plak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- afgesneden stuk (schijf) van iets groters
- plaque -> tandplak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| plakjes | verkleinwoord, meervoud |
| plakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plakken
- gebiedende wijs van plakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plakken
Vervoeging van plak
plakhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘dunne schijf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1761
Woordfamilie van plak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plakje | verkleinwoord | plak |
| plakjes | verkleinwoord meervoud | plak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plak zijn vastgelegd.