emmer
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɛmərBetekenis
- busvormig taps toelopend vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
- Triticum dicoccum Schrank ex Schuebl. syn. Triticum turgidum subsp. dicoccon is een tetraploïde tarwesoort, met wilde en gecultiveerde varianten
- altijd, steeds, in ieder geval
Hoe spreek je emmer uit?
/ˈɛmər/
Emmer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| m | maan |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- buisvormig taps toelopend vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| emmers | enkelvoud |
| emmertje | verkleinwoord |
| emmertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van emmeren
- gebiedende wijs van emmeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van emmeren
Vervoeging van emmer
emmerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vat’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van emmer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| emmers | enkelvoud | emmer |
| emmertje | verkleinwoord | emmer |
| emmertjes | verkleinwoord | emmer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van emmer zijn vastgelegd.