lak
zelfstandig naamwoord, werkwoord lɑkBetekenis
- een oplossing van filmvormende stoffen in vluchtige oplosmiddelen die gebruikt wordt voor de bescherming van o.a. hout, metaal en verf
- ergens ' aan hebben: zich er niets van aantrekken
Hoe spreek je lak uit?
/lɑk/
Lak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord
- stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel op oppervlakken als hout, metaal en verf is aangebracht
- iets wat verkeerd of onwaar is obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lakjes | verkleinwoord, meervoud |
| lakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lakken
- gebiedende wijs van lakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lakken
Vervoeging van lak
lakhele werkwoord
Herkomst
[1] via Frans laque, Italiaans lacca of Portugees laca van Arabisch طلا (lakk) en Perzisch لاک (lāk) die weer teruggaan op Hindi लाख (lākh) en Sanskriet लाक्षा (lākṣā) "rode kleurstof"; in de betekenis van ‘een harsachtig product, verf’ aangetroffen vanaf 1573
Woordfamilie van lak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lakje | verkleinwoord | lak |
| lakjes | verkleinwoord meervoud | lak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lak zijn vastgelegd.