tak
zelfstandig naamwoord /tɑk/Betekenis
- een deel van een boom of struik dat aan de stam vastzit en waaraan bladeren groeien
- een aftakking in een denkbeeldige boom (- bedrijfstak, handelstak, industrietak etc.)
- deel van een stamboom
- tak
- bedankt, dank u
- dak
- grip
- nee; ontkenning die betrekking heeft op gezegde of bepaling
- niet; ontkenning van gezegde of bepaling
- maar
- maar echt, heus
- plafond
- bovengrens
- greep
- krachtproef
- vat, greep
- groeve
- ja
- zo
Hoe spreek je tak uit?
/tɑk/
Tak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɑ | bad |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een aftakking in een denkbeeldige boom (-> bedrijfstak, handelstak, industrietak etc.)
- groep van naaste familieleden binnen een stamboom
- afsplitsing van een rivier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| takje | verkleinwoord, enkelvoud |
| takjes | verkleinwoord, meervoud |
| takken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘spruit’ voor het eerst aangetroffen in 1275
Woordfamilie van tak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| takje | verkleinwoord | tak |
| takjes | verkleinwoord meervoud | tak |
| takken | meervoud | tak |
| getakt | woordvorm | takken |
| takke | woordvorm | takken |
| takkend | woordvorm | takken |
| takkende | woordvorm | takken |
| takte | woordvorm | takken |
| takten | woordvorm | takken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tak zijn vastgelegd.